Windhaantje en hond van Westerwalds aardewerk

Windhaantje en hond van Westerwalds aardewerk door Gerard Lemmens

Deze twee ongewone voorwerpen, een windwijzer en een dubbele inktpot, maken deel uit van de zeer grote collectie gebruikskeramiek vanaf de middeleeuwen tot de 18de eeuw, die het museum in de loop der tijd als een soort aanhangsel van de Romeinse collecties verzameld heeft.

Meneer Kannetje

Daar de stad vermaard was om de onuitputtelijke hoeveelheid Romeinse voorwerpen die elke in de grond gestoken spade scheen op te leveren en de vinders natuurlijk geen benul ervan hadden wat ze opgroeven, kwam er in Nijmegen ook heel veel uit na-Romeinse perioden aan het licht en werd dat ook verzameld. De aanleg van riolering, gas en elektriciteit kort voor en rond 1900 leverde een stortvloed aan 'potjes' op, die ondershands in verzamelingen en bij handelaars terechtkwamen en soms ook wel in het stedelijke museum, het 'Kabinet van Oudheden' in het stadhuis. Vooral de gefortuneerde verzamelaar G.M. Kam was een geliefde afnemer voor grondwerkers en schatgravende armelui (die hem onder elkaar - daar hij vrij klein was - 'meneer Kannetje' noemden). Toen kort voor de Tweede Wereldoorlog de stad en de staat hun verzamelingen op archeologisch gebied samenvoegden in Rijksmuseum Kam kwam de keramiek uit latere tijd in het gemeentelijk museum terecht en ontstond een collectie die als een van de grootste in ons land gold.

Steengoed

De situatie van onwetendheid is inmiddels zeer veranderd: dankzij toegenomen opgravingsactiviteiten en vooral door het nieuwe vakgebied van de stadsarcheologie zijn immense hoeveelheden gebruikskeramiek aan het licht gekomen en is de wetenschappelijke kennis erover enorm toegenomen. Keramiek en glas zijn tot aan onze kunststofwereld de onmisbare materialen voor keuken en tafel geweest. Al vroeg, zo rond 1100-1200, ontstond gespecialiseerde productie van keramiek die steviger en minder waterdoorlatend was dan de simpele potten van gedroogde en gebakken aardewerk. Bijzondere kleisoorten en speciale vakkennis maakten al spoedig sommige steden en landstreken tot centra van aardewerknijverheid en er ontstond een levendige handel. Eén van die gebieden is het Rijnland, met pottenbakkerscentra als Keulen, Siegburg en Frechen, alle bekend om hun stevige, harde en waterdichte 'steengoed'. Voor de handel in hun producten was Keulen het hoofdcentrum. Van daaruit werden scheepsladingen kannen en potten stroomafwaarts geëxporteerd. In riviersteden als Nijmegen en Dordrecht werden de goederen verder verdeeld, tot in Londen toe.

Siergoed uit Kannenbäckersland

In de 19de eeuw waren er zelfs speciale handelaren-schippers die de Rijn en Waal afvoeren en markten bezochten; soms ventten hun meevarende vrouwen kannen en potten langs de straten uit. 'Potten-Trienen' noemde de Nijmeegse straatjeugd ze. En nog in de keukens en kelders van onze groot- of overgrootouders waren vrijwel altijd de bekende grijs en blauw glanzende 'Keulse potten' te vinden. Deze kwamen, net zoals de voorwerpen die hier zijn afgebeeld, uit een streek ten zuiden van Keulen, tegenover Koblenz in het dal van de Lahr, het Westerwald genoemd, maar beter bekend als het 'Kannenbäckersland'. Hoewel 99 procent van de productie gebruiksvoorwerpen voor de keuken en kannen en bierpullen voor op tafel betrof lieten de pottenbakkers af en toe hun fantasie de vrije loop en maakten Mariabeeldjes, inktstellen en meer siergoed. De door G.M. Kam ongetwijfeld uit de antiekhandel en niet uit Nijmeegse bodem gekochte hond is een uniek product mogelijk voor een ludieke kantooreigenaar; van het weerhaantje bezit het Kunstnijverheidsmuseum te Keulen een dertig centimeter hoger exemplaar - overigens zonder de fraaie engelenkopjes. Men houdt het daar op 'kerktorenhaantje' maar gezien de kleine afmetingen en de windgevoeligheid van het materiaal zou men misschien bescheidener aan een tuinhuis of prieeltje kunnen denken.

Deze tekst en aanvullende gegevens zijn te vinden in Van Trajanus tot Tajiri - collectie Museum Het Valkhof, Nijmegen 2009, ISBN 978 90 6829 094 3.