Stoven, tegels en kraantjeskannen

Stoven, tegels en kraantjeskannen door Nederlands Openluchtmuseum

In 2014 ontving het Nederlands Openluchtmuseum een grote verzameling zeer gave dagelijkse gebruiksvoorwerpen. De verzameling bevat een uniek eiken kannenbord uit het rampjaar 1672. Dit is een soort kapstok voor kannen. De sporen van een kantrechtbijl op de achterzijde doen vermoeden dat het rek ouder is dan 1672. Mogelijk is het jaartal later aangebracht, ter herinnering aan het moment waarop de Republiek bijna ten onder ging. Onder de houten voorwerpen bevinden zich ook zeven rijk gesneden voetstoven. Deze waren waarschijnlijk niet voor dagelijks gebruik, maar dienden als kerkstoof. De meeste stoven zijn gedateerd, te weten 1717, 1737, 1763 en 1782.

Een belangrijk deel van de schenking bestaat uit een grote hoeveelheid zeldzame wandtegels: in totaal 118 Bijbelse tegels en 50 exemplaren met ambachtslieden. Deze afwasbare stripverhalen aan de muur illustreren in algemene zin de huiselijke pronk van onze voorouders, maar ook hun geloofswereld en nijverheid. Op de ambachtstegels staan onder andere touwslagers, marskramers, timmerlieden, smeden, bierbrouwers en schoenmakers (zie afbeelding). Naast tegels ontving het Nederlands Openluchtmuseum twee complete vijfdelige kaststellen van Delftse plateelbakkers: een van de De Porceleyne Bijl (1760-1780) en een van De Vergulde Blompot (1760-1790).

De schenking omvat ook 21 kraantjeskannen. De term ‘kraantjeskan’ is in de twintigste eeuw veel door antiquairs toegepast en nu algemeen geaccepteerd. In de achttiende en negentiende eeuw, toen men deze kannen ook echt gebruikte, heetten ze gewoon koffiekannen. Koffiekannen werden populair vanaf het begin van de zeventiende eeuw, tegelijk met de opkomst van het koffiedrinken. Koffie was toen nog een duur en daarom elitair drankje. Dienovereenkomstig waren de koffiekannen in deze beginperiode uitzonderlijk luxe. Andere voorbeelden uit deze eerste periode betreffen twee kannen van Japans porselein. Die zijn daar speciaal besteld, want Japanners zelf dronken toen nog geen koffie. De meeste latere kraantjeskannen zijn van tin en dikwijls verlakt.

Engeland was de voornaamste producent van dergelijk lakwerk en Nederland importeerde dit veel. Nederland kende echter in vrijwel elke grote plaats ook zijn eigen kunstverlakkers. In Amsterdam was dat bijvoorbeeld meester schilder Jan van Rijn. Uit zijn ‘Balans van rekeningen’, lopend van 1753-1759, blijkt dat hij onder andere de volgende zaken verlakte: rijtuigen, hele huisinterieurs, schoorstenen, stallampen, bekkens, kleermanden, loterijballetjes, wateremmers, hoenderhokken, kransen, tabaksdozen, kleerstokken, lampen, doofpotten, spuiten, theeblaadjes, wasmanden, stoven, een jacht en koffiekannen. Meester glazenmaker, schilder, vergulder en penseelschrijver Cornelis Cornelissen werkte rond 1800 op de Haarlemmerdijk. Zijn theestoven en theeketels verlakte hij ‘zwart met bloemen’ en zijn koffiekannen voorzag hij van ‘goud en sieraad.’ Tot het midden van de achttiende eeuw was het gros van deze verlakte tinnen kraantjeskannen bij de stedelijke elite te vinden. Pas in de late achttiende en negentiende eeuw kenden ze grotere verspreiding over kleinere plaatsen op het platteland. De stad Groningen werd in deze laatste fase dé grote producent. Dat koffiedrinken toen al een sociaal ritueel was, is te zien aan een van de geschonken kraantjeskannen met rondom drie kraantjes, waar een heel gezelschap omheen kon zitten leuten.

Voorwerpen