Paul Klemann

Paul Klemann door Hans Timmermans

In een kerkgebouw liggen twee engelen op een lege vloer. Hun opvallend grote lijven gaan schuil onder hun dichtgevouwen vleugels, van de een rood-, van de ander blauwgekleurd. De vloer met blauw-witte tegels, waarop ze liggen, vult licht glooiend het overgrote deel van de tekening. De vloer is leeg, de kerkbanken zijn verwijderd.

Lege kerkvloer

Aan twee randen van de tekening is de rest van het kerkinterieur te zien. Aan de rechterzijde zien we tegen een zware pilaar een offerblok. Boven aan deze pilaar brandt in een houder één enkele kaars. Op het priesterkoor prijkt een altaar in volle glorie, maar ook daar is het stil en uitgestorven. Aan de bovenrand van de voorstelling strekt de vloer zich uit in een smalle zijbeuk, waar de onderkant van houten meubilair zichtbaar is. De engelen trekken in hun beslotenheid alle aandacht van de beschouwer. Maar over hun omvangrijke lijven heen wordt de blik naar het priesterkoor getrokken, naar het altaar.Hier liggen géén gevallen engelen. Zoveel is duidelijk. Met deze twee engelen is iets anders aan de hand, zoals ze in zichzelf gekeerd, in hun grote felgekleurde en dichtgevouwen vleugels op een lege vloer liggen. Hebben zij zelf het meubilair verwijderd en verkeren ze in rusttoestand? Zijn gewone stervelingen hier nog wel welkom? Alle banken zijn immers verwijderd. Het altaar echter staat in volle glorie nog steeds centraal op het priesterkoor. Maar wordt hier nog wel een mis gelezen

Schildpadden

Des te prominenter prijkt nu het offerblok tegen de pilaar vooraan. De relatie tussen kerk en kapitaal is al eeuwenlang een zeer hechte. Boven aan dezelfde pilaar brandt een enkele kaars, de enige in de hele ruimte. Een verstild geheel. En toch beweegt het hier. De lege vloer van blauwe en witte tegels tast als een kalme deining van de zee de grenzen van de kerkruimte af. Een stille beweging. Nimbussen rond de hoofden van de twee engelen zorgen voor een andere beperkte beweging, intens en geconcentreerd.Toen de kunstenaar voor deze bijdrage zijn tekening opnieuw onder ogen kreeg, moest hij denken aan twee gepantserde engelen, als schildpadden, zacht van binnen en hard van buiten. Hun hoofd steken ze pas weer naar buiten als de kust veilig is. Nadat Paul Klemann de kunstacademie had verlaten is hij een uitgebreid dagboek gaan bijhouden van zaken die hem bezig hielden. Al schrijvende zijn de dagboekaantekeningen tot nachtboekaantekeningen geworden, registraties van zijn nachtelijke dromen, notities die hij 's ochtends na het ontwaken in woorden op schrift stelt. In zijn atelier werkt hij deze teksten uit tot droomtekeningen. Klemann heeft zich volledig op de tekenkunst toegelegd. Al vanaf de jaren tachtig tekent hij verhalende scènes waarin het ongelofelijke gebeurt en het ondenkbare wordt getoond. In zijn droomtekeningen geeft hij de verbeelding van zijn dromen alle ruimte.

Droomtekening

Twee engelen die zich hebben afgewend van de mensheid. De titel van deze droomtekening komt uit het verslag van een droom. De woorden tellen in deze tekening evenveel mee als de beelden. Wat de woorden van de aantekening aanvankelijk uit elkaar hebben gehaald, wordt door de tekening hersteld: de gelijktijdigheid van de droom, en daarmee ook de grenzeloosheid van de droom, want die is volgens uitspraak van de kunstenaar totaal. Het katholieke erfgoed van vóór 1965 is een veelvuldig terugkerend thema in het werk van Klemann. Ook met deze tekening geeft hij commentaar op ontwikkelingen in de katholieke kerk. Een traditioneel kerkgebouw is gedeeltelijk leeggeruimd. De plaats van samenkomst voor de gelovigen ligt er kaal bij. Hier heeft vernieuwing geen kans gekregen. Het priesterkoor staat als vanouds in volle glorie in het centrum. Maar wie komt hier nog? Wie voelt zich hier nog aangesproken? Hebben deze twee engelen, deze middelaars tussen de mensen en hun god, zich wellicht uit schuld en schaamte in hun eigen vleugels opgesloten en zich van de mensheid afgewend?

Deze tekst en aanvullende gegevens zijn te vinden in Van Trajanus tot Tajiri - collectie Museum Het Valkhof, Nijmegen 2009, ISBN 978 90 6829 094 3.