Koloniaal Werfdepot

Klaargestoomd voor het Indisch leger in het "gootgat" van Europa

Van 1815 tot 1910 vertrokken bijna 150.000 soldaten vanuit Harderwijk om plaats te nemen in het Oost-Indische leger, die zorgde voor handhaving van het Nederlandse gezag in Indië. Deze vrijwilligers werden daartoe eerst opgeleid in het centrale meldpunt te Harderwijk. Dit meldpunt was gevestigd in het voormalige Muntgebouw dat vanaf 1844 'Koloniaal Werfdepot' heette.

Het Werfdepot was belast met het werven, kleden, uitrusten en oefenen van de rekruten. Deze rekruten werden geworven onder 'gewone', maar ook onder gestrafte militairen, gevangenen, bedelaars en deserteurs uit vreemde legers. Ook werden veel buitenlandse militairen geworven, zoals de beroemde Franse dichter Arthur Rimbaud. Elke nieuwe rekruut kreeg een fiks handgeld bij het tekenen van het contract. Ook werd een pensioen in het vooruitzicht gesteld, dit bij minimaal 12 jaar dienst.

Harderwijker winkeliers, logementhouders en kroegbazen beleefden gouden tijden. De kolonialen, wachtend op verscheping naar de koloniën, bleven tussen de 5 en 25 weken in de stad en gaven hun handgeld grotendeels uit in dranklokalen en bordelen. Regelmatig ontstonden er vechtpartijen. Harderwijk kreeg een slechte reputatie en raakt internationaal bekend als 'het gootgat van Europa'. Een nieuwe regeling, in 1855 getroffen, om het handgeld pas aan het eind van het verblijf in Indië uit te betalen, roept een storm van protest op onder de Harderwijker middenstand.

In 1907 wordt het Koloniaal Werfdepot opgeheven als zelfstandige inrichting en omgevormd tot een onderdeel van de Koloniale Reserve. Het Harderwijkse onderdeel van de koloniale reserve wordt in 1909 naar Nijmegen overgebracht. Een voor Harderwijk opzienbarende periode wordt hiermee afgesloten.

Voorwerpen