Japans lakwerk

Japans exportlakwerk

In de loop van de zeventiende eeuw ontstond in Nederland en elders in Europa een grote belangstelling voor exotica. Door ontdekkingsreizen en de handel van bijvoorbeeld de VOC met overzeese gebieden, kwam de Nederlander in aanraking met uitheemse voorwerpen. Die kwamen van ver en waren dus exclusief. Voor rijke burgers vormden ze een aantrekkelijk middel om zich te onderscheiden. In China en Japan werd prachtig lakwerk en porselein gemaakt. Dat werd in de zeventiende eeuw erg populair in Nederlandse en westerse interieurs. Rijke burgers en adellijke lieden decoreerde hun huizen met zeldzame Oosterse voorwerpen. Europese vorstenhuizen kochten gretig op veilingen van de VOC.

Japans exportlakwerk was een van de vele goederen die de VOC vanuit Azië naar Europa verscheepte. Het lakwerk werd in Japan voor de export gemaakt en geleverd in allerlei vormen, zoals koffers, kisten en doosjes. Een belangrijk onderdeel van het verhandelde lakwerk bestond echter uit zogenaamde 'comptoirs', oftewel kabinetten. Een kabinet is een grote, rechthoekige houten kist met een klep of twee deuren. Daarachter bevinden zich een aantal laatjes waar van alles in bewaard kon worden; juwelen, brieven, curiositeiten, enz. Kist en laden zijn voorzien van oosterse voorstellingen in goudlak op een zwart gelakte ondergrond. Alles rijkelijk voorzien van fijn bewerkt beslag. Meestal stond de kist op een bijpassend, rijk bewerkt onderstel. Deze zijn echter nooit in Japan gemaakt.

Japanse lakkabinetten stonden als een soort kunstkastjes in kunst- en verzamelkabinetten te pronk of in de vertrekken waar gasten ontvangen werden. Het verzamelen van exotica was in het algemeen een bezigheid van de heer des huizes. De dames hielden zich eerder bezig met inrichten van en pronken met poppenhuizen.

Het maken van Japans lakwerk was bewerkelijk, kostte veel tijd en was dus duur. Hoewel het kostbaar goed was, namen de kabinetten zoveel plaats in beslag in het ruim van een schip dat het lakwerk de VOC nooit veel winst heeft opgeleverd. De handel in Japans lakwerk was dan ook slechts een klein onderdeel van de handel van de VOC met Japan. Het werd op beperkte schaal ingekocht, aanvankelijk in Hirado en na 1641 in Nagasaki. De handel in verliep sindsdien via de VOC-vestiging te Deshima, een klein kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki.

Vooral in de zeventiende eeuw kwam het lakwerk naar Europa. Het hoogtepunt van de handel in Japans lakwerk lag tussen 1635 en 1670.

Het Historisch Museum Arnhem bezit een Japans lakkabinet van rond 1650-80. Het Rijksmuseum Amsterdam bezit ook Japans lakwerk, waaronder een kast met lakwerkpanelen.

Wim de Natris (redactie) met dank aan Menno Fitski (Rijksmuseum Amsterdam)

Literatuur

C.J.A. Jörg, 'Japanese Export Lacquer: Trade and Imitation', in: Imitation and Inspiration: Japanese Influence on Dutch Art, Amsterdam 1989, pp. 41-42.