De achterkant van troost De achterkant van troost

De achterkant van troost door Nederlands Openluchtmuseum

Ze passen in de palm van haar hand, twee popjes van broos porselein. En in hetzelfde doosje waarin ze verpakt waren, zit ook een stukje zeep en een waslapje van badstof. Coba van Strien, 12 jaar, krijgt nooit speelgoed voor haarzelf. Zo vlak na de oorlog is er nog niets. Maar nu is haar hele dorp overstroomd. In haar klas op de hervormde lagere school in Raamsdonksveer krijgt iedereen daarom een cadeautje. ‘Helemaal uit Amerika’, roept meester van Immerzeel. Even is de klas stil. Dan vraagt een kind: ‘Meester, waar ligt Amerika?’

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 haalt haar vader Coba uit bed. De zee komt eraan en stuwt het rivierwater op. ’s Middags stond het water al vreemd hoog. Nu loeit de storm om het huis. Op een onbewaakte plek beukt het water door de dijk en kolkt achterlangs het dorp in. Haar straat loopt onder en het water stroomt dwars door het huis. Gelukkig blijft het overeind. ’s Ochtends worden ze met een amfibievoertuig geëvacueerd. Alleen de dijk is nog droog. Het is er een komen en gaan van mensen. Maar mensen zijn niet de enige drenkelingen. Het krioelt er van de ratten die aanspoelen op drijvende pakken stro.

Het amfibievoertuig brengt haar naar de katholieke meisjesschool. Daar komt iedereen samen. Coba is er nog nooit geweest, de ramp verbroedert. De zoon van de kruidenier op het Heereplein brengt haar met een auto via Dongen naar Breda. Daar kan ze bij haar oom logeren. Vier dagen later mag ze gelukkig weer terug. Het water zakt en de grote schoonmaak kan beginnen. Rond het dorp kunnen ze ’s winters nog geregeld schaatsen op de ondergelopen weilanden. De popjes houdt ze de rest van haar leven bij zich, als herinnering aan die angstige nacht en de troost van verre vriend Amerika.

Omdat de watersnood zo’n impact had op het rampgebied én op de rest van Nederland is het nu onderdeel van de Canon van de Nederlandse Geschiedenis. Daarom heeft het Nederlands Openluchtmuseum een watersnoodwoning naar het terrein overgeplaatst. Dat nieuws bracht Coba er na 61 jaar toe om haar popjes aan het museum te schenken.

Het is 6 augustus 1945. Amerika gooit een atoombom op de Japanse stad Hiroshima en drie dagen later op Nagasaki. In de eerste maanden sterven 130.000 tot 240.000 kinderen en volwassenen aan de directe gevolgen. Vier jaar eerder, op 7 december 1941, heeft Japan Pearl Harbor aangevallen. Sindsdien is de VS verwikkeld in de Pacific War. Vier jaar lang vochten ze, maar Japan zelf bleef een onneembare vesting. Na de nucleaire ramp in Hiroshima en Nagasaki geeft Japan zich over. Het eiland wordt bezet en komt onder gezag van generaal Douglas MacArthur. De economie van Japan ligt in puin, net als haar steden. Om de bevolking een bestaansbasis te gunnen, mag ze weer gaan exporteren. Maar alle goederen moeten de voor Japan vernederende tekst dragen: ‘MADE IN OCCUPIED JAPAN.’ En precies dat staat ook op de achterkant van Coba’s popjes, verborgen onder de jurkjes. Geboren in een hel, geëxporteerd in de hoop er bovenop te komen, en vervolgens als troost geschonken aan een meisje in Nederland. Wereldgeschiedenis in een kinderhand.

Voorwerpen