Antependium van het Nijmeegse schippersgilde

Antependium van het Nijmeegse schippersgilde door Marja Begheyn-Huisman

Al vanaf de vroege middeleeuwen bracht men aan de voorzijde van altaartafels ter versiering antependia (voorhangsels) aan van edele metalen, hout of textiel. In de 15de eeuw kwam het geborduurde voorhangsel in gebruik. Het antependium van de kapel van het Nijmeegse schippersgilde is het grootste borduursel uit de middeleeuwen dat in ons land bewaard is gebleven. Alle emblemen van het gilde zijn erop te zien.

Schip, wapens en vlaggen

Op een ondergrond van nachtblauwe zijden damast uit het Italiaanse Lucca zijn borduursels op linnen, in zijde en goud- en zilverdraad, als applicaties aangebracht. Hoewel delen van het werk in de loop der tijd zijn vergaan en veel kleuren sterk zijn gesleten is de voorstelling nog goed leesbaar. Op een zee of rivier ligt een karveel voor anker, een middeleeuws koopvaardijschip met ronde boeg. De zeilen zijn gereefd, aan de met gouddraad op het damast geborduurde touwen hangen katrollen en ballastzakken. In het schip zijn drie bemanningsleden te zien en de vlammen van een vuurtje in een bak. Op de boeg staat een vlag met het wapen van Gelre en op de achtersteven een vlag met de Nijmeegse stadsadelaar. Aan de top van de mast, boven het kraaiennest, wappert een dubbele wimpel in de Nijmeegse stadskleuren rood en zwart. Waarschijnlijk is dit de oudste voorstelling van een vlag met de stadskleuren. Op deze wimpel zijn wapenschildjes van Gelre en Nijmegen bevestigd. Het eigen wapen van het gilde, een gouden anker op een rood veld, komt links en rechts van de patroonheiligen vier keer voor.

Patroonheiligen

Links van het schip staat Maria, beschermheilige voor een behouden vaart, met het kind op haar arm. Zij staat op een veld waarop bonte bloemen groeien. Rechts van het schip bevindt zich op dezelfde ondergrond St. Olaf, schutspatroon van de Hanzeschippers. Omdat hij als Vikingkoning het christendom invoerde in Noorwegen, wordt hij voorgesteld met een kroon. Onder zijn mantel draagt hij een harnas. Hij zet een voet en zijn hellebaard op een monster met een gekroond mensenhoofd, dat het overwonnen heidendom verbeeldt. De bokaal in zijn linkerhand verwijst naar een legende: toen St. Olaf eens water te drinken kreeg veranderde dat eerst in bier, daarna in mede en toen in wijn. Op de omslag waarmee het antependium ongetwijfeld aan de bovenkant over een roede aan het altaar hing, is een bede tot de patroonheiligen te lezen: 'Ihesus - In Eer Gods Ende Die Gode Sunt Olof - Maria'. De franjes die het borduurwerk omlijsten waren oorspronkelijk rood, zwart en geel. De keuze hiervoor moet zijn ingegeven door de stadskleuren. Het schippersgilde was het machtigste en rijkste van de Nijmeegse gilden of 'ampten'.

Mannenwerk

Alleen het schippersgilde bezat een eigen gildehuis en bovendien een eigen gasthuis, dat stond op de plaats van het huidige casino aan de Waalkade. De kapel van dit gebouw was toegewijd aan St. Olaf. Waarschijnlijk gaf het gilde ter gelegenheid van een plechtige herinwijding van de verbouwde kapel in 1494, opdracht aan het borduurwerkersgilde om het kostbare antependium te vervaardigen. Deze professionele borduurders waren mannen, ook omdat borduren met gouddraad zwaar werk was. Het resultaat moet er stralend en kleurrijk hebben uitgezien. Het borduursel bleef als antependium in gebruik tot de reformatie. Daarna bewaarde het gilde het doek en gebruikte het als gildevaandel. Na de opheffing van de gilden kwam het met andere gildevoorwerpen rond 1840 in het bezit van de gemeente Nijmegen.Het antependium sluit in stilistisch opzicht aan bij de kunst in de regio aan het eind van de 15de eeuw. De afmeting, het historisch belang en de relatief goede staat maken het werk niet alleen tot een topstuk in de collectie van Museum Het Valkhof, maar ook tot een uniek object uit de late middeleeuwen in de Nederlanden.

Deze tekst en aanvullende gegevens zijn te vinden in Van Trajanus tot Tajiri - collectie Museum Het Valkhof, Nijmegen 2009, ISBN 978 90 6829 094 3.