Collectie Gelderland

ciborie. Groot, zwaar in reliëf bewerkt model. Geschulpte voetrand, schacht bewekt met voluten, baldakein met drie bewerkte zuilen. Rijke versiering en decoratie. Zilvermerken. Zilver en verguldsel. Zilvermerken.

Groot en zwaar in reliefs bewerkt model. Geschulpte platte voetrand, de voet bol en in drieën gedeeld door drie gevleugelde vergulde engelen; hiertussen reliefdrijfwerk van cartouche, ranken, vruchten (druiven), aren, voluten. Drie vergulde appliques met gedreven voorstellingen van: Het laatste Avondmaal; Jezus valt onder het kruis; de Opstanding. Schacht: bewerkt met voluten, parelrand, schildjes. De nodus voorzien van druiventrossen, ranken en vergulde engeltjes met in hun handen de symbolen voor geloof, hoop en liefde. De onderzijde van de ronde vergulde cuppa voorzien van relief; blad, druiventrossen, voluten, drie vergulde medaillons met voorstellingen van Jezus, Maria en Heilige. Deksel: bolvormig met holle rand waarop afwisselend holle knorren en parel; drie vergulde dubbele engelenmaskers; bolle rand bewerkt met patroon van afwisselend knor en schildje waarin ruitmotief. Bekroning: baldakein op drie bewerkte zuilen, waaraan een open gewerkte, uit voluten opgebouwde, krul. Op de top een kruis met corpus Christi. Onder de baldakein een vergulde heiligenfiguur met zwaard en boek. Merken: lopende leeuw, mrt. AH met kroon, jrl. B = 18. De ciborie is in de katholieke liturgie de kelk waarin de geconsacreerde Hosties worden bewaard. In tegenstelling tot de miskelk heeft de ciborie een deksel, waarop doorgaans een rechtopstaand kruisje is bevestigd. Als de ciborie het Allerheiligste bevat hangt men er een ciborievelum overheen en bewaart men haar in het tabernakel. De binnenkant van de kelk ("cuppa") is bijna altijd verguld. Voor het Tweede Vaticaans Concilie was dit verplicht, tegenwoordig gewoon gebruikelijk.