Collectie Gelderland

Molukse barak, Lage Mierde, 1939

Het barakkenkamp bij Lage Mierde werd gebouwd ten behoeve van arbeiders die werkten in het kader van de Afdeling werkverruiming van het Ministerie van Sociale Zaken, later Rijksdienst voor de Werkverruiming (1939-1945). Van juli 1940 tot herfst 1943 fungeerde het kamp als werkkamp voor 200 arbeiders, aanvankelijk vooral werkloze havenarbeiders uit Amsterdam en Rotterdam. Later schijnen er ook Joodse mannen tewerk gesteld te zijn. Zij werkten aan de ontginning van de omliggende heidegebieden. Vanaf november 1944 kwamen er 600 geëvacueerden uit de omgeving van Nijmegen, die vanwege oorlogsgeweld hun woonplaatsen moesten verlaten. Vanaf ongeveer 1946 bood het kamp weer onderdak aan werkeloze arbeiders die aan het werk werden gezet met de wederopbouw, de ontginning en ruilverkaveling van het gebied rond Lage Mierde. In 1953 stond het kamp een tijdje leeg, waarna het twee zomers dienstdeed als vakantiekamp voor kinderen met een lichamelijke handicap. Eind 1954 werd het kamp ingericht voor de huisvesting van 18 Molukse gezinnen. Zij hoorden tot de 12.500 Molukkers (militairen en hun gezinnen) die in 1951 'op dienstbevel' naar Nederland waren gebracht. In 1962 verhuisden alle Molukse gezinnen. Ze werden over Nederland verspreid in nieuw gebouwde woonwijken in Wormerveer, Vaassen, Opheusden en Delfzijl. Na de Molukse periode dienden de gebouwen van het kamp Lage Mierde vanaf 1964 tot in 1977 elke zomer als vakantiekamp voor binnenstadskinderen uit de achterstandswijken van Rotterdam. In 2001 verwierf het Nederlands Openluchtmuseum de laatste overgebleven barak. In 2002 werd de barak overgebracht naar Arnhem en in 2003 is de Molukse Barak in het Nederlands Openluchtmuseum officieel geopend.