Moos Cohen

Moos Cohen (1901-1942) - Kunstschilder uit Tiel

Wie door de Kerkstraat in Tiel wandelt, ziet aan de rechterkant bij de Caecilia kapel een complex nieuwbouwhuizen, dat er in 1988 is gezet. Niets herinnert meer aan de oorspronkelijke bebouwing. Begin 20e eeuw stond hier de slagerij van Levie Abraham Cohen. Achter de ondiepe winkel van het vrij smalle pand lag een gang en een woonkamer. Via een binnenplaats was de achtergelegen slachtplaats voor het vee toegankelijk. Behalve runderslager was Levie ook veehandelaar. Als hij voor zaken weg moest, hielp zijn vrouw Roos hem in de zaak. Later kregen zij hulp van hun schoonzoon Alexander Bartels, getrouwd met dochter Lea. Omstreeks 1925 is de slagerij overgaan naar A. Slob, die na enkele jaren de winkel verplaatste naar de overzijde van de straat.

Zoon Mozes Cohen geboren

Op 4 maart 1901 werd binnen dit gezin zoon Mozes, roepnaam 'Moos', geboren. Verder waren er nog een broer, Abraham, en twee zusters, Kaatje en Lea. Na de lagere school bezocht Moos de HBS aan het Kalverbos te Tiel, waar hij in 1917 eindexamen deed. Als joodse jongen ontving hij aanvullende lessen van S.C.Kleerekoper, die hem 'de kennis van het Jodendom' en 'gemoedsbeschaving' bijbracht. Hoewel Moos als jongen er van droomde rabbijn te worden, besloot hij toch liever te gaan tekenen en schilderen. Met succes behaalde hij de Middelbare Tekenacte.

Moos's karakter

Zij die Moos Cohen gekend hebben omschrijven hem als een schuchtere, maar wel zeer vriendelijke man. Dit strookt niet helemaal met zijn HBS tijd toen hij enige rebelse trekjes vertoonde. In 1916 was namelijk de HBS club opgericht en verscheen er onder redactie van Moos Cohen een clubblad met de naam 'De HBS-er'. In het derde nummer had hij in een nagebootst handschrift van leraar A.Gabel de uitspraak van een wiskundeleraar opgenomen: 'O, juffrouw Mina, bij U vergeleken is de aantrekkingskracht der aarde van nul en geene waarde!'. Mina was de serveerster in herberg De Zoelensche Brug. Directeur Slothouwer was niet gediend van dergelijke insinuaties en dreigde Moos van school te sturen. Uiteindelijk kwam het tot een schorsing voor een maand.

Naar Amsterdam verhuisd

In september 1921 deed Moos toelatingsexamen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam, waar hij ging wonen. Zijn leermeesters waren J.J. van Aarts, J.H. Jurres, R.N. Roland Holst en N. van der Waay. In de rapporten van deze school staan bij de onderwerpen 'ijver' en 'vorderingen' de kwalificaties goed tot zeer goed geschreven. Deze waardering kwam tot uiting in het toekennen van de Gosschalk prijs aan Moos Cohen. In het cursusjaar 1927/28 liet hij zich nog inschrijven voor de 'Avondklas naar het leven', maar hij liet zijn gezicht er zelden zien.

Leraar Kunstgeschiedenis in Amsterdam

Moos had zijn atelier aan de Prinsengracht nummer 824 in Amsterdam. Na voltooiing van zijn opleiding aan de academie gelukte het hem een soort beurs te verkrijgen. Of zoals hij het zelf beschreef: 'Gedurende drie jaar genoot ik de eer Pensionaire van H.M. de Koningin te zijn'. Daarna moest hij op eigen benen staan. Het lukte hem evenwel niet helemaal van zijn kunst te leven en daarom solliciteerde hij in 1930 naar de betrekking van leraar kunstgeschiedenis voor drie uren per week aan de Hendrick de Keyserschool in Amsterdam.

Les geven ging hem gemakkelijk af. Dat kunnen we tenminste opmaken uit zijn eigen woorden in zijn sollicitatiebrief als leraar aan de Hendrick de Keyserschool waarin hij schrijft dat hij 'in ruime mate de gave bezit de eigen kennis aan anderen mede te deelen'. Hij voegde er verder als aanbeveling aan toe: 'Vroeger, bij het Jeugdwerk, had ik gelegenheid te ondervinden, dat het mij gemakkelijk valt ook een grootere groep jonge menschen geïnteresseerd te houden'.

In zijn brief vertelt hij ook te beschikken over een grote collectie gekleurde en zwart-wit reproducties van schilderijen, gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid. Hij kreeg de betrekking. Een vetpot is het nooit geworden. In een brief aan familie in Rotterdam verontschuldigt hij zich dat hij al zo lang niet is geweest met als excuus 'dat het geld zoo schaarsch is'. Zijn familie in Tiel vergat hij niet. Vakanties bracht hij in zijn geboortestad door, bij welke gelegenheid hij dikwijls portretten tekende.

Vergast in Auswitsch

Moos Cohen was getrouwd met Truus Bessem, dochter van een kleermaker, aanvankelijk zijn model en uiteindelijk zijn vrouw. Dan komt het najaar van 1942. De Duitsers pakken steeds meer joden op om hen te deporteren naar de concentratiekampen. Moos besluit samen met zijn neef Jozef Bartels te vluchten naar Zwitserland. Ze zullen hun bestemming nooit bereiken. Aan de Frans-Zwitserse grens worden ze door de Duitsers gepakt en naar de vernietigingskampen afgevoerd. Moos Cohen sterft op 7 november 1942 in Auswitsch.

Liefde voor de natuur

Het vroegst bewaard gebleven werk van Moos Cohen dateert uit 1916. Het zijn tekeningen die hij als vijftienjarige HBS leerling maakte. Zijn inspiratie put hij uit de natuur, de alledaagse omgeving en de mens zelf. We zien hem met zijn schetsboek in de omstreken van Tiel zwerven waar hij de boerderijen met hun karakteristieke overstek vastlegt of de wisselende stemmingen in het Waallandschap in potloodstreken probeert te vangen. Prominent aanwezig is zijn liefde voor details en de natuur. Vlot is zijn aquarel van de kippen die hij zag op het erf van Bouwmeester te Drumpt. Met veel gevoel noteert hij de minutieuze details van de flora. Zijn etsje van een liggend varken is van een ontroerende eenvoud en intimiteit.

Stads- en dorpsgezichten

Verder zijn er stads- en dorpsgezichten, zoals van de 'Kaai' te Tiel, de Waterpoort te Zaltbommel en de hoge kerktoren van Zoelen. Zijn mooiste topografische werkstuk is de tekening in zwart krijt die hij vervaardigde van de nog niet door oorlogsgeweld geschonden Waterstraat in Tiel. De later zo kenmerkende sfeer, hier vooral bereikt door de levendige stoffering in de vorm van een huifkar en groepjes mensen, is al volop aanwezig.

Portretten

In zijn portretten toont Cohen zich eveneens een goede observeerder. Zijn modellen vond hij in familiekring. Verder stond zijn jeugdvriend Vincent de Poorter, die als zoon van een agent van Van Gent en Loos op de Groenmarkt woonde, een aantal malen voor hem model. De periode rond de Eerste wereldoorlog is ook de tijd van het grote zoeken in de kunst naar andere expressievormen. De nieuwe stromingen heten kubisme, expressionisme en geometrische abstractie. De echo's klinken door in het werk van Cohen. Zo deelt hij in een zelfportret zijn gezicht op in vlakken. En geeft hij een landschapje onder de titel 'Het zweetend gezwoeg van de zwijgende velden' een emotionele poëtische lading.

Realiteit van alledag

Eenmaal opgeleid aan de academie komt zijn werk in Amsterdam tot volle rijpheid. Moos Cohen blijft een kunstenaar die zijn inspiratie put uit zijn directe leefomgeving. De schilderachtigheid van de oude Joodse buurt in Amsterdam boeit hem in het bijzonder. Cohen stond in deze belangstelling niet alleen. Diverse andere kunstenaars zochten in de jaren dertig hun onderwerpen in de realiteit van alledag, zoals het café, de dancing, de markt, feesten op straat, straatmuzikanten en werklozen. Hun stijl was realistisch en toegankelijk. Tot deze groep van 'Populisten' rekent men ook Moos Cohen.

Peter Schipper

 

Voorwerpen