Lizzy Ansingh

Lizzy Ansingh - poppenschilderes

De schilderes Lizzy Ansingh (1875-1959) is bekend geworden met een eigen uniek genre. In haar zogenaamde 'poppenschilderijen' laat zij poppen als mens model staan in een weerspiegeling van de mensenwereld. In 1910 kocht ze op een veiling een achttiende-eeuws poppenhuis, dat sindsdien onafscheidelijk in haar atelier stond. Het interieur, samen met de rest van haar poppenverzameling, diende vanaf aankoop als voornaamste inspiratiebron. Sinds 1963 is het poppenhuis in bezit van de gemeente Arnhem.

Jeugd

Lizzy Ansingh groeide op in een bemiddelde Amsterdamse kunstenaarsfamilie. Op jonge leeftijd bracht ze vele uren door op het atelier van haar tante Thérèse Schwartze. Die was een veelgevraagde portrettist in kringen van welgestelde Nederlanders. Van haar kreeg Lizzy de opleiding voordat ze naar in 1893 naar de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam ging. Daar kwam ze in contact met andere kunstenaressen uit welgestelde families, die later als groep bekend zouden worden als de 'Amsterdamse Joffers', met Lizzy als spil van de groep. Ook was ze bevriend of had ze contact met veel van de invloedrijke namen in de Nederlandse kunst en literatuur rond 1900 en het begin van de twintigste eeuw. Voor en tijdens de eerste twee feministische golven leefde Lizzy een progressief leven. Zij koos voor een carrière in plaats van een huwelijk en zorgde voor haar eigen inkomen.

Amsterdamse Joffers

Meer dan vijftig jaar heeft de term 'Amsterdamse Joffers' als eretitel gefungeerd voor een groep vrouwelijke schilders; vriendinnen uit de Amsterdamse grachtengordel, de meeste van hen vrijgezel. Behalve Lizzy Ansingh bestaat de groep uit Marie van Regteren Altena, Ans van den Berg (1873-1942), Jo Stumpff, Nelly Bodenheim, Coba Ritsema, Jacoba Surie (1879-1970) en Betsie Osieck (1880-1968). Ze kenden elkaar uit de kringen rond de Rijksacademie. Ze exposeerden samen en vormden met succes een 'bolwerk' tegenover de door mannen gedomineerde Hollandse recensenten.

Door de bank genomen schilderden de Joffers rond 1900 in een laat-impressionistische stijl, een logisch vervolg op de stemmingskunst van de Haagse School. Ze waren ook geïnspireerd door de, in die tijd, moderne Franse kunst, waaronder schilders als Manet. Hun werk is omschreven als typisch vrouwelijk, toegankelijk, ambachtelijk, maar ook negatief als fantasieloos, braaf en ouderwets; kunst van rijke dames, niet beoefend als kostwinning, maar uit liefhebberij.

Stijlen en invloeden

Na haar academietijd begon Ansingh met het schilderen van stillevens en portretten. Ze illustreerde in historiserende stijl enkele boeken van Marie van Zeggelen, die in de Gouden Eeuw speelden: De Plaetse aan de Vecht en Twee Amsterdamsche Joffers. Ook ontwierp ze illustraties voor onder meer catalogi en uitnodigingen. Haar allegorische en anekdotische poppenvoorstellingen, met een surrealistische onderstroom, zijn het meest karakteristiek voor haar werk. Dat wijkt af van alle heersende stijlen, geheel los van haar tijdgenoten.

In het grootste deel van haar werk van Lizzy Ansingh spelen poppen een belangrijke rol. In haar tijd sprak de term 'poppenschilderijen' voor zich en kreeg haar werk het etiket 'truttig en nauwgezet'. Onterecht. Met haar geschilderde poppentaferelen geeft ze op humoristische wijze kritiek op zowel haar eigen leven en belevenissen als het gedrag van mensen in het algemeen. Daarvoor liet ze haar poppen als acteurs optreden in zorgvuldig vormgegeven toneelstukken.

Lizzy Ansingh had vanaf 1908 een eigen atelier op de derde etage van Herengracht 495 in Amsterdam. Het had een boudoirachtige, intieme sfeer, volgestouwd met rekwisieten en antieke voorwerpen. Naast haar vele poppen was een van haar belangrijkste rekwisieten haar achttiende-eeuwse poppenhuis dat ze in 1910 bij veilinghuis Frederik Muller in Amsterdam wist te bemachtigen. Het poppenhuis had een ereplaats en nam bijna een hele muur van haar atelier in beslag.

Haar werk vertoont invloeden van veel stijlen. Haar vroege veelal allegorische poppenschilderijen vertonen overeenkomsten met bijvoorbeeld het symbolisme, de Art Nouveau en het exotisme. Lizzy Ansingh kende de kunst van het symbolisme en was tevens bekend - zelfs bevriend - met enkele van de vertegenwoordigers van deze kunststroming in Nederland. Lizzy was een moralist en koos vaak voor de traditioneel christelijke thematiek van de deugden en ondeugden van de mens, in het bijzonder de hoofdzonden.

Vanaf de jaren twintig werden de werken losser geschilderd en kregen de poppenschilderijen een meer anekdotisch oftewel verhalend karakter. Die werken lijken vooral geïnspireerd door de Hollandse meesters van de Gouden Eeuw, de Franse en Italiaanse rococo en romantiek, en de negentiende-eeuwse kunstenaars die de Gouden Eeuw in Nederland wilden doen herleven. Haar late werken hebben een raakvlak met de naïeve schilderkunst.

Lizzy koos er bewust voor om de 'boze buitenwereld' uit haar leven en werk te bannen. Ze had het gevoel in de verkeerde eeuw geboren te zijn. Ze was erg romantisch van aard en leefde als het ware in het verleden. In leven en werk was ze tamelijk wispelturig en impulsief, terwijl haar gemoedstoestand sterk was verbonden met haar werk. Ze was bovendien erg perfectionistisch. In de loop van de jaren trok ze zich steeds langer terug in haar atelier en leefde daar min of meer in dat verleden, in haar eigen 'poppenhuis'. Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog lijkt die zelf gecreëerde wereld een belangrijk toevluchtsoord voor haar te zijn geweest.

Milieu

Haar bemiddelde afkomst gaf haar de financiële onafhankelijkheid die voor vrouwen in haar tijd anders onbereikbaar was. Het milieu waarin Lizzy Ansingh leefde, bezorgde haar de contacten die ze nodig had om zich te ontwikkelen als onafhankelijk kunstenares. In de artistiek geïnteresseerde hogere middenklasse waartoe zij behoorde was het vanzelfsprekend dat vrouwen aan kunst deden en zich op dat gebied manifesteerden. Iedereen zong, schreef of schilderde wel. Haar tante, Thérèse Schwartze, is voor haar artistieke en persoonlijke ontwikkeling van groot belang geweest. Thérèse heeft haar nichtje nooit echt les gegeven, maar bereidde haar wel op andere manieren voor op het kunstenaarsbestaan. Ze introduceerde haar bij befaamde kunstenaars als George Breitner (1858-1923) en Isaac Israëls (1865-1934) en hielp haar een klantenkring op te bouwen.

Lizzy Ansingh en haar vriendinnen gingen ook vriendschappelijk om met vele gerenommeerde schrijvers, dichters, kunstenaars en ontwerpers. Richard Roland Holst, professor aan de Rijksacademie en bekend om zijn monumentale werk bij projecten van Berlage en Derkinderen, behoorde bijvoorbeeld tot de intimi. Begin 1900 leerde Lizzy de schilder Simon Maris (1873-1935) kennen.

Behalve met haar leeftijdsgenoten ging Lizzy Ansingh om met kunstenaars en schrijvers van de oudere generatie, beter bekend als De Tachtigers, zoals Willem Witsen (1860-1923) en Willem van Konijnenburg (1868-1943), Floris Verster (1861-1927), Frederik van Eeden (1860-1932) en Albert Verwey (1865-1937). Spelenderwijs ontmoetten de Joffers in hun kringen ook cruciale nieuwlichters zoals Piet Mondriaan, Leo Gestel en Jan Sluijters. De Joffers zijn gek genoeg niet erg door hun modernistische werk beïnvloed.

Voorwerpen